Het Hof Van Justitie EU heeft een einde gemaakt aan het door de Raad van State ongemotiveerd afdoen van zaken in het vreemdelingenrecht die gaan over uitleg van het EU-recht (het veruit grootste deel van het vreemdelingenrecht valt onder het EU-recht). De Raad van State is op grond van het EU-recht, specifiek artikel 267, 3e alinea, VWEU, gelezen in het licht van artikel 47, 2e alinea, van het Handvest van de grondrechten van de EU, verplicht te motiveren hoe het EU-recht moet worden uitgelegd. De Raad van State kan hier dus niet volstaan met een ongemotiveerde (of, zoals de Raad van State het zelf zegt: “met verkorte motivering”) uitspraak, de zogeheten artikel 91 lid 2 Vw-uitspraak.
Met dit arrest is ook duidelijk geworden dat deze motiveringsplicht enigszins losstaat van de motiveringsplicht die ook geldt op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Voor die EVRM-motiveringsplicht moet uitdrukkelijk zijn verzocht om een prejudiciële beslissing, terwijl dit voor de EU-motiveringsplicht niet nodig is en de nationale rechter voor uitleg van het EU-recht zonodig ook ambtshalve moet verwijzen, dan wel moet motiveren waarom niet wordt verwezen.
De Raad van State heeft dus jarenlang vreemdelingenzaken waarin gevraagd is om uitleg van het EU-recht in strijd met hetzelfde EU-recht zonder motivering afgedaan. Dit ondanks alle kritiek hierop (zie onder meer mijn publicaties over dit onderwerp). Met dit arrest is het duidelijk dat deze kritiek niet voor niets was en opgevolgd moet worden.